P voor prachtig en puur; precies zoals jij bent. A voor alles wat dit nieuwe seizoen je aanreikt. S voor speciale zon die zacht en zeker voor jou schijnt. E voor elk eerlijk moment dat je mag kiezen voor vreugde. N voor nooit vergeten: jij bent meer dan genoeg. Vrolijk Pasen – groei gerust, de wereld heeft jouw versie nodig. 🌷✨🐣
De klas ruikt naar potloodslijpsel, papier en natte jassen die nog een beetje buitenlucht meebrengen. Stoelen schuiven schuchter over de vloer. Iemand laat een potlood vallen. De radiator ruist rustig, alsof hij een geheim bewaart. Door het raam valt een streep licht naar binnen en glijdt over de houten lessenaars. En daar zit ik. Mijn voeten bengelen onder de bank. Ze tikken tegen de metalen stang. Tik. Tik. Tik. – een kleine, koppige cadans die ik zelf nauwelijks merk.
Voor mij ligt mijn lijntjesschrift. Wanneer ik het opensla, ritselt de bladzijde zacht. Het papier is een beetje ruw onder mijn vingers. De blauwe lijnen lopen er geduldig overheen, netjes en braaf. Links staat de rode kantlijn. Een rechte, rustige regel die lijkt te zeggen: hier begint het. Ik laat mijn vingertoppen er even over glijden.
Dan pak ik mijn pen. Het is geen dunne pen, maar een dikke, stevige balpen. Hij vult mijn hand alsof hij precies voor mij gemaakt is. Wanneer ik hem vastklik, hoor ik een klein, vastberaden tikje. De punt raakt het papier. Een blauwe stip verschijnt. Ik druk iets te hard en de inkt wordt dikker dan ik had bedoeld. Ik glimlach een beetje. De eerste letter kronkelt over de lijn. Mijn tong steekt een klein stukje tussen mijn lippen terwijl ik schrijf. Schrrr… Schrrr… Schrrr… De balpen schuift over het papier en laat een spoor van blauwe woorden achter. Maar in mijn hoofd gebeurt iets anders. Gedachten beginnen te rollen – niet netjes achter elkaar – ze tuimelen en tollen. Ik denk aan een hondje uit de straat, aan een boom waar ik ooit in klom, aan een middag met modder op mijn knieën. Alles wil tegelijk in mijn opstel.
Ik stop even. Mijn pen rust tegen mijn kin. Ik kijk omhoog naar het plafond, naar een vlekje dat een beetje op een wolk lijkt. Daarboven zweeft mijn verhaal. Ik voel bijna hoe de volgende zin al klaarstaat. Dan schrijf ik weer. Mijn letters zijn nog een beetje wiebelig. Sommige zijn groot en gul, andere klein en voorzichtig. De blauwe inkt glanst heel even voordat hij in het papier zakt. Mijn hand beweegt langzaam maar zeker. Pols, vingers, penpunt. Soms veegt mijn mouw zacht over het blad.
Rondom mij gaat de klas gewoon door. Een stoel piept. Iemand fluistert. De juf loopt zacht tussen de banken. Maar voor mij wordt alles stiller. Alsof er een glazen stolp over mijn lessenaar staat. In die stolp zitten alleen mijn schrift, mijn dikke balpen en ik. De regels vullen zich langzaam met woorden; woorden die wandelen, zinnen die kronkelen.
Terwijl ik schrijf, ontdek ik iets wat ik nog niet kan uitleggen: dat mijn hoofd vol verhalen zit en dat die verhalen, via een beetje blauwe inkt en een stevig vastgehouden pen, gewoon naar buiten kunnen stromen. ✨
Epiloog:
Als mijn verhaal klaar is, zet ik onderaan twee kleine woorden: Wordt vervolgd. Ik weet nog niet dat ik die woorden nog vaak zal schrijven. in schriften, op losse vellen, later op schermen. Verhalen zullen zich blijven aandienen, koppig en kleurrijk, alsof ze altijd al op mij hebben gewacht. Ergens, tussen de blauwe lijnen en de rode kantlijn van dit eerste opstel, begint het al zacht te groeien, een gewoonte, een honger, een heimelijke toekomst van woorden.
Wordt vervolgd. Steeds opnieuw.
“Een pen is klein, maar de werelden die hij opent zijn groot.”